Home / Media en communicatie / Telefonie en telecom

Telefonie en telecom

De Amerikaan Alexander Graham Bell vond in 1876 de telefoon uit. Een jaar later stichtte hij de National Bell Telephone Company in Schotland. Na afsplitsting van de Amerikaanse tak van het bedrijf startte de International Bell Telephone Company zijn eerste buitenlandse vestiging in Antwerpen: de Bell Telephone Manufacturing Company, ook wel gekend als 'den Bell'. In 1892 onstond in Antwerpen ATEA, de Antwerp Telephone and Electric Works. Meer dan honderd jaar ontwikkelden ze beiden spitstechnologie en brachten het wereldwijd aan de man, van parlefoons en telefooncentrales naar verkeerslichten en netwerkuitrustingen. Vandaag is ATEA onderdeel van Siemens; Bell Telephone werd overgenomen door Alcatel.

De eerste telefoonlijn in België werd in 1879 in het parlement geïnstalleerd. Om de ontwikkeling van een uitgebreid telefoonnetwerk aan te moedigen ontwikkelde de overheid een wetgevend kader dat de exploitatie regelde. In 1888 werd de dienst 'Administratie Post en Telegrafie' van het Ministerie van Spoorwegen, Postwezen en Telegrafen opgesplitst in een Bestuur van de Post (vandaag BPost) en een Bestuur van Telegrafie en Telefonie. Enkel de rijke burgers konden zich een toestel veroorloven. Verbindingen werden nog manueel uitgevoerd, waarbij een telefoniste de beller via kabel en stekker doorverbond naar de bestemmeling.

Na de Eerste Wereldoorlog was het telefoonnetwerk sterk beschadigd en zelfs gedeeltelijk ontmanteld. Er waren enorme investeringen nodig om het netwerk weer uit te bouwen en daarvoor had het Bestuur van Telegrafie en Telegrafie als overheidsbedrijf niet de financiële middelen.

In 1930 werd daarom de Regie voor Telegraaf en Telefoon (RTT) opgericht. Dit was een overheidsbedrijf met grote autonomie dat niet afhing van de budgetten van de overheid. Het bedrijf had zo'n 200 000 abonnees. Op publieke plaatsen werden telefooncabine's geplaatst, zodat ook de gezinnen die geen telefoon in huis hadden iemand konden opbellen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het telefonienetwerk opnieuw sterk beschadigd. De overheid kwam deze keer met een aanzienlijke financiële tussenkomst. Het aantal abonnees groeide enorm. Waar in 1946 zo'n 350 000-tal mensen elkaar konden opbellen, waren er al twintig jaar later meer dan 1 miljoen abonnees. In 1956 wilde de RTT nog slechts één toestel met een eigen RTT-logo aanbieden. ATEA en Bell werkten samen om dit 'nationale toestel RTT 56' te ontwikkelen en produceren. 

Moeilijkheden door een economische crisis en een corruptieaffaire zorgden voor de moeilijke jaren '70. In 1969 werd in de VS Arpanet opgestart, de voorloper van het internet. In de jaren '80 zag men de telecommunicatiesectoren als één van de groeipolen van de 20ste eeuw, en niet zonder reden: in 1989 ontstond het World Wide Web. Drie jaar later werd 1991 Belgacom opgericht, een nieuw soort overheidsbedrijf met nog grotere autonomie, om zo nieuwe ontwikkelingen te stimuleren. In 1994 stichtte Belgacom Proximus, het eerste mobiele netwerk in België. De RTT boodt zijn klanten een toestel aan van ofwel ATEA, ofwel Bell (beide met een aparte stijl en vormgeving). 

Bibliografie

Wie weet iets?

Jan Verhelst - Expert
Wim Geukens - Expert

Wie heeft iets?

Reactie toevoegen

In de kijker

Ben je bereid je kennis over te dragen en ben je op zoek naar een leerling? Of ben je leergierig en zoek je een meester die je de kneepjes van een ambacht kan leren? Kijk dan zeker even naar volgend overzicht.
In het kader van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed organiseren we in samenwerking met de Nederlandse Stichting Bedrijfsgeschiedenis op vrijdag 16 november een studiedag over bedrijfserfgoed.

Nieuwsbrief