Bree

Sinds het ontstaan van Bree was landbouw steeds de belangrijkste kostwinning. Ondanks hun slechte, zanderige toestand brachten enkele belangrijke overlandse handelsroutes, zoals de noord-zuidverbinding tussen Den Bosch en Maastricht, daar toch enigszins verandering in. Vanaf de 17de eeuw was er een bescheiden lakenfabricage. 

De grootste zichtbare overblijfselen van 'industrialisatie en techniek' in de vroege periodes zijn de watermolens van Bree. Dit waren molens voor het malen van graan en het stampen van raap- en lijnolie. De (deels) overblijvende molens zijn de Abroxmolen, Ghen-Aamolen, Kluismolen, Pollismolen, Slagmolen, Kasteelmolen, Keyartmolen, Galdermansmolen en de Rooiermolen. 

In de 18de eeuw was Bree economisch ingedommeld, er waren weinig of geen industriële activiteiten. Enkel de porseleinfabriek van Carolus Streignart werd opgericht in Bree. Zij produceerden voor een grotere afzetmarkt. Ook waren er enkele pottenbakkers en een peperkoekbakkerij. Het weven van vlas en wol bleef belangrijk, maar was enkel voor de lokale afzetmarkt. De wevers werkten nog zonder mechanische weefgetouwen. 

Ook de distillatie van jenever en brandewijn was een uitzondering. Er waren 3 distilleerders: Niklas de Broman, Jan Michels en Lenart Frencken. Zij exporteerden naar andere regio’s. Door de strengere regels geraakte deze activiteit in de illegaliteit en stapten de brouwers over op bier. Deze bierproductie was weer voor eigen markt. Sinds 1859 brouwt de familie Cornelissen in brouwerij Sint-Jozef - nu: brouwerij Cornelissen - in Opitter onder meer Pax Pils en Ops-Ale.

De lokale aanwezigheid van grondstoffen, zoals leem, leidde ertoe dat Bree uiteindelijk in de 19e eeuw uitgroeide tot een klein potten- en pannenbakkerscentrum. Deze bakkerijen lagen uit veiligheidsoverwegingen buiten het stadscentrum. Er waren 6 pottenbakkerijen en 3 pannenbakkerijen. Deze tak bleef nog lang bestaan, bijvoorbeeld de pannenfabriek Taxandria. 

De aanleg van de Zuid-Willemsvaart in het begin van de de 19e eeuw en later het Kempisch Kanaal, zorgde ervoor dat Bree, eindelijk, goed bereikbaar werd. Er kwam een bassin bij Bree, waar stoomboten konden aanmeren. Dit werkte de langverwachte industrialisatie in de hand. De eerste hangars, magazijnen en depots verschenen. Vanaf 1842 uitte deze industrialisatie zich in het oprichtten van een stoomdestilleerderij en een azijnmakerij in de Kloosterstraat. Auguste Janssen startte een zeep- en zoutziederij en Jozef Peeters begon een pijpenbedrijf. Dit werd verder gezet door de familie Knoedgen. Het werd de eerste “grootindustriële” activiteit in Bree. Er werden jaarlijks één miljoen kleipijpen vervaardigd door zestien werknemers. Tegenwoordig zijn deze pijpen echte verzamelobjecten. 

Ondanks verwoede pogingen van het stadsbestuur is er nooit een treinverbinding van of naar Bree tot stand gekomen. Wel werd er een stoomtramverbinding aangelegd in 1887. Het traject liep van Maaseik tot Leopoldsburg. De zetel van de Limburgsche Stoomtramweg Maatschappij lag in Bree, later zou deze de exploitatie van acht buurtspoorweglijnen pachten. De tramlijn zorgde voor een opleving van de industrie in Bree. Een voorbeeld hiervan was de goed draaiende, mechanische margarinefabriek. Ook tabaks- en sigarenfabrieken vonden hun weg naar Bree. Merken als Morico, Le sous-Off, Las Infates, Reina, Venido, Noblesse en Sans Pareil werden er vervaardigd. Arbeiderswoningen in de Meinestraat zijn nog getuigen van de groei en bloei van de tabaksindustrie. 

In 1910 werd Bree als tweede Limburgse gemeente geëlektrificeerd met een gemeentelijke elektriciteitscentrale.

Vandaag zijn Scana Noliko, LAG, Veldeman Tent Technology en De Boer de grootste industriële spelers in Bree.

Bibliografie

Wie heeft iets?

Rijtuigmuseum Bree - Collectie

Wie kan iets?

Reactie toevoegen

In de kijker

We hebben beslist om de 8e ETWIE-ontmoetingsdag, die gepland stond op zaterdag 9 mei, te verschuiven naar een latere datum.

Nieuwsbrief