Brussel

De bloei van de industrie in de 19de en 20ste eeuw was bepalend voor de wijze waarop het stedelijke weefsel van de hoofdstad vorm kreeg, onder meer in de zone langs het kanaal Brussel-Charleroi. Voor de industriële revolutie had de stad al een sterk ontwikkelde handwerknijverheid. Een belangrijk deel van deze ambachtelijke activiteiten was de fabricage van luxeproducten zoals kant, zijde, koetsen en piano's. Ook de drukkerijen die zich aanvankelijk vooral bezig hielden met Franse herdrukken, waren gericht op een bepaald publiek. Daarnaast waren er natuurlijk de ondernemingen die de levensbehoeften van de inwoners tegemoet kwamen, zoals de brouwerijen en stokerijen.

Vooral de centrale ligging van Brussel in het Belgisch grondgebied was een grote troef voor de industriële ontwikkeling. De stad werd het centrum van het Belgische spoorwegnetwerk en werd ook nog beter ontsloten door de aanleg van het kanaal Brussel-Charleroi (gebouwd tussen 1929-1932) en het kanaal Brussel-Antwerpen, dat al eerder bestond maar in 1829 uitgediept werd om grotere schepen toe te laten. Hierdoor was de Brusselse nijverheid en industrie minder afhankelijk van lokale energiebronnen en grondstoffen. Hoewel het industrieel zwaartepunt van België aanvankelijk nog in de Waalse steenkoolbekkens lag, mag men niet vergeten dat deze ondernemingen in de meeste gevallen grotendeels in handen waren van holdings in Brussel. De industriële activiteiten in de stad groeiden bijzonder snel tussen de tweede helft van de 19de eeuw en de Eerste Wereldoorlog. Het was toen één van de meest geïndustrialiseerde steden van België (na o.a. Luik).

Tot rond 1875 bleef het grootste deel van de industrie en bijhorende arbeidersbewoning geconcentreerd binnen de historische vijfhoek van de stad. Daarna verschoof dit, o.a. door de moderniseringswerken in de stad en de overwelving van de Zenne, richting het kanaal, de haven en de omliggende gemeentes. In 1880 woonde nog slechts 50% van de arbeidersbevolking van het gewest binnen de vijfhoek. In 1896 woonde 88% van de arbeiders in het gewest in plaats van de stad.

Na de Eerste Wereldoorlog veranderde de structuur van de industriële activiteiten in het gewest ook. Textielnijverheid en confectie maakten plaats voor andere sectoren, zoals de drukkerij-uitgeverijen, meubelindustrie, farmaceutica, productie van precisie-instrumenten, gas, elektriciteit, de rubberindustrie, chemische sector en machinebouwers.

Het hoogtepunt van de Brusselse industrie werd bereikt rond 1960, waarna een snelle neergang volgde. Een groot deel van de deïndustrialisering van de Brussel is het gevolg van de verhuis van bedrijven naar andere locaties in de periferie, waar ze ook makkelijk bereikbaar zijn langs de autosnelweg. In sommige buurten is het industriële erfgoed vandaag nog steeds alomtegenwoordig, zoals in de havenwijk waar industriële sites als de Citroëngarage, de ‘Mestbak’, Thurn en Taxis tot de meest opvallende voorbeelden behoren. Maar ook in andere wijken treft men vaak een hoge concentratie van markante industriepanden aan waaronder slachthuizen, brouwerijen, tabaks- en chocoladefabrieken ...

Sinds 1921 hoort ook de voormalige gemeenten Haren en Neder-Over-Heembeek bij Brussel.

Haren vormt een echt verkeersknooppunt: het ligt aan het Kanaal van Willebroek en wordt doorkruist door verschillende spoorlijnen. Ook de eerste Belgische luchthaven lag op Harens grondgebied. De bekendste fabriek in Haren, de Usines Peters-Lacroix (UPL), vestigde er zich in 1885. Ze was een van de grootste behangselfabrieken ter wereld en had zelf verscheidene drukprocedés ontwikkeld, terwijl ze voor het tekenen van haar collectie een beroep deed op de talenten van bekende kunstenaars. Ook vermeldenswaardig zijn  de verf- en vernisfabriek De Keyn (1850) en de blauwselfabriek De Vestel (1884). In de loop van de 20ste eeuw vestigden steeds nieuwe bedrijven zicht op het grondgebied van Haren, net als de zetel van de NAVO en de opslagplaatsen van de MIVB.

Ook Neder-Over-Heembeek profiteerde van zijn ligging langs het kanaal en andere transportwegen. In de 19de eeuw vestigden er zich verschillende bedrijven, waaronder La Meunerie Bruxelloise (1889) en mouterij-brouwerij Marly, dat ook water en limonades produceerde onder de naam Meudon. Na de Tweede Wereldoorlog versnelden de industriële ontwikkelingen langs het kanaal. De Budabrug uit 1955 is een opmerkelijke getuige van dit industriële verleden. Sinds 1952 zijn ook de kantoren en onderzoekslaboratoia van Solvay in Neder-Over-Heembeek gevestigd.

Bibliografie

Wie weet iets?

Wie heeft iets?

Reactie toevoegen

In de kijker

Op vrijdag 16 november organiseert ETWIE in samenwerking met de Stichting Bedrijfsgeschiedenis en de Vereniging Bedrijf & Historie een studiedag over bedrijfserfgoed als cultureel erfgoed. Het programma staat online en inschrijven is vanaf nu mogelijk.

Nieuwsbrief