Home / Muziek en spektakel / Dansorgel en draaiorgel

Dansorgel en draaiorgel

In West-Europa begint het verhaal van de ‘mechanische muziek’ in de 19e eeuw. Ieder land had een eigen specialisatie binnen het Europees orgelverhaal. De Zwitsers specialiseerden zich in de vervaardiging van kleine speel- en muziekdozen. Nederland was (en is door goede erfgoedzorg nog steeds) het land bij uitstek van de straatdraaiorgels en Italianen waren meesters in het bouwen van automatische straatpiano’s met houten cilinders. In Frankrijk vervaardigde de Italiaan Ludovico Gavioli (1807-1875) omstreeks 1850 kleine straatorgels om het Parijse straatleven op te fleuren. Wegens het grote succes wordt hij als de vader van het draaiorgel beschouwd. 

Een draaiorgel is een automatisch spelend pijporgel dat gestuurd wordt door een kartonnen draaiorgelboek waarin gaten zijn geponst. Het draaiorgelboek bestuurt via een luchtstroom door de gaten de registers, het slagwerk en de pijpen van het draaiorgel. Deze lucht wordt ingeblazen door de blaasbalk die geactiveerd wordt door aan het orgelwiel te draaien. Voor elke toonhoogte en elk instrument worden het tijdstip en de duur van een noot in de muziek via de gaatjes in het papier aangegeven.  Belangrijk hierbij was dat men op een constante snelheid aan het wiel draaide voor een optimale muzikale ervaring. 

In België was men voornamelijk gespecialiseerd in de vervaardiging van dansorgels, een variant van het draaiorgel dat volgens eenzelfde principe werkt. Naast de traditionele orgelpijpen wordt het dansorgel vaak voorzien van accordeons, saxofoons en percussie-instrumenten. Een dansorgel vond men vanaf de jaren ’80 van de 19e eeuw terug op dansevenementen in cafés of op kermissen. De dansorgels volgden de algemene trend: na een periode van manuele aandrijving schakelden de producenten vanaf het einde van de 19e eeuw over op gas en later op elektriciteit. België was in de 19e eeuw gekend om zijn dansorgelproductie dankzij de technische vindingrijkheid van gerenommeerde bedrijven als Mortier en Decap, beide uit Antwerpen. Het bedrijf van Antwerpse caféeigenaar Théophile Mortier (1855-1944) was veruit het meest productieve bedrijf binnen de Belgische dansorgelindustrie. Mortier merkte al snel dat er winst te halen viel uit het verhuren van dansorgels. Vanaf 1885 importeerde hij dansorgels van Gavioli om ze te verhuren aan andere caféeigenaars. Het succes was zo groot dat Mortier in 1898 zelf orgels begon te bouwen. In 1902 sprong Alois Decap samen met zijn zoon Livien mee in het succes van de dansorgels. Het bedrijf ondervond in tegenstelling tot het bedrijf van Mortier weinig last van de komst van de radio en grammofoon. Ze evolueerden gemakkelijker mee met hun tijd en bouwden moderne dansorgels met verlichte fronten en zichtbaar slagwerk. Vandaag bezit het bedrijf van Decap 118 jaar aan ervaring en is het de grote naam voor verkoop en restauratie van dansorgels.

De dansorgels van Mortier en andere Belgische fabrikanten domineerde het uitgaansleven van de vroege 20e eeuw. Vele cafés in België hadden vroeger hun eigen dansorgel als voorloper van de jukebox. De orgels schitterden op een hoog podium achter de houten dansvloer en lieten de nieuwste melodieën weergalmen door de zaal. Caféhouders investeerden door het enorme succes dan ook graag in een aparte danszaal met orgel, aangebouwd aan het café. De concurrentie tussen de cafés was echter groot waardoor het leven van een dansorgel slechts enkele jaren besloeg voor ze vervangen werden door een nieuwer, spectaculairder en/of groter exemplaar. Het meest indrukwekkende dansorgel trok natuurlijk het meeste publiek en dus ook de meeste inkomsten. Ook de producenten probeerden voortdurend de markt met nieuwigheden te verrijken. De grootste innovatie was de vervanging van de houten cilinders als muziekdrager door gevouwen kartonnen orgelboeken en later papieren rollen. Zo nu en dan trokken orgelbouwers de aandacht met nieuwe snufjes als bijvoorbeeld mandolines en sleebellen. Na de Eerste Wereldoorlog lag stilistisch de nadruk voornamelijk op modernere fronten en instrumenten. Net als het interieur volgt het front van het dansorgel de eigentijdse stilistische innovaties.

De grootste orgels werden doorgaans voor kermissen gebruikt en toerden door heel het land. De praktijk van de dansorgels bleef bestaan tot de jaren 1950. Nadien verdwenen de meesten in museale depots of verzamelingen van particulieren. Toch blijft België vandaag nog steeds prominent op de kaart staan van de dansorgelindustrie met bedrijven als de Gebroeders Decap in Antwerpen en Verbeeck in Sint-Job-in-‘t-Goor. Voor vakkennis, restauraties en technische vernieuwingen zijn deze bedrijven toonaangevend en ongetwijfeld te koesteren in de toekomst. Een belangrijke schakel in het orgelerfgoed is vandaag in het bezit van de Vlaamse Gemeenschap die in 2017 de verzameling van verzamelaar Ghysels kocht.

Bibliografie

Wie heeft iets?

Wie kan iets?

Reactie toevoegen

In de kijker

Hij is er! De nieuwe onderzoeksbalans industrieel erfgoed! Een prachtig referentiewerk, zoals we zelf durven zeggen...

Nieuwsbrief