Kaarsen

Kaarsen zijn staafjes van een vaste vetachtige stof (bijenwas, stearine) met door het midden een katoenen koord (pit, lont). Als men de lont aansteekt, smelt het vet weg en wordt het in het koord gezogen. In de hogere delen wordt het vet door verdamping gasvormig en verbrandt het door uitstralen van licht en warmte.

Kaarsen worden al van oudsher gebruikt als verlichting. Bij de Etrusken enkele eeuwen voor Christus waren dit touwen gedrenkt in olie, pek of vet. In de Romeinse tijd zien we was of vet als brandstof verschijnen. De kaarsenmakersgilde zorgde in de middeleeuwen voor de voornaamste bron van kunstverlichting. De goedkoopste werden gemaakt van vet (o.a. talg), de duurdere van bijenwas. Die eerste waren uiteraard van mindere kwaliteit: ze gaven roet, dropen, waren te zacht. Eind 18e eeuw kwam men tot de vaststelling dat de potvis een alternatief kon bieden voor het vet en de was. Uit de kop van deze walvis werd een vettige stof uitgekookt en gekristalliseerd waarmee men kaarsen kon bereiden. Tot de 19e eeuw werden kaarsen vooral gemaakt door kleinschalige ambachtslui in eenmansbedrijfjes, enkele decennia later kende de fabricage een grote ontwikkeling, voornamelijk door de ontdekking van stearine. Dit mengsel van twee zuren ontstond door het uitpersen van verzeepte dierlijke vetten. De kaars brandde met stearine met een heldere vlam, werd niet slap als hij warm werd en was geschikt om machinaal in vormen te gieten. Dit leidde dus tot mechanisatie in de industrie.

Ongeveer tegelijkertijd in de 19e eeuw werd de getwijnde pit vervangen door een gevlochten katoenen pit. Enige tijd later werd door de raffinage van aardolie een witte stof afgescheiden: paraffine. Paraffine geeft een hogere lichtintensiteit maar wordt wel iets zachter. Door de uitvinding van de elektrische lamp midden 19e eeuw blijft de kaars vandaag de dag voornamelijk over voor het gezellige licht en de rustgevende werking.

Hoe worden kaarsen gemaakt? De oudste methode is dompelen: de lont wordt in gesmolten was of vet gedompeld en omhoog getrokken. Na het stollen wordt dit proces eindeloos herhaald tot de kaars de gewenste dikte heeft. In de 15e eeuw gebruikte men houten gietvormen, daarna van tin of ijzer. Vandaag worden de meeste kaarsen machinaal gegoten in metalen vormen.

Bibliografie

Wie heeft iets?

Spaas - Bedrijf

Wie kan iets?

Reactie toevoegen

In de kijker

Op vrijdag 16 november organiseert ETWIE in samenwerking met de Stichting Bedrijfsgeschiedenis en de Vereniging Bedrijf & Historie een studiedag over bedrijfserfgoed als cultureel erfgoed. Het programma staat online en inschrijven is vanaf nu mogelijk.

Nieuwsbrief