Verlichting

Het belang van verlichting in het organiseren van de maatschappij mag niet onderschat worden. Tot het einde van de 18de eeuw werd voornamelijk verlicht met olielampen met lont. Vanaf 1780 vinden er op korte termijn heel wat verschillende verbeteringen van de gewone olielamp. Al snel werd deze ook grotendeels vervangen door gaslampen die minder onderhoud met een groter gebruiksgemak beloofden. De verspreiding van de gaslamp ging hand in hand met het uitbouwen van grote gasleiding-netwerken in de steden. Deze gasverlichting werd eerst vooral gebruikt voor straatverlichting, maar vond al snel zijn weg naar de huishoudens.

Oorspronkelijk werd voor gasverlichting vooral steenkoolgas gebruikt. Deze werd lokaal gewonnen in grote gasfabrieken die d.m.v. droge distillatie van steenkool lichtgas en cokes verkregen. In Gent werd de eerste gasfabriek in gebruik genomen rond 1827 om 700 gaslantaarns te voorzien. Gasverlichting werd na de introductie van de elektrische gloeilamp steeds minder interessant en doofde letterlijk uit. Doorgaans wordt de uitvinding van de gloeilamp aan Thomas Edison, echter dit klopt niet helemaal. Wel was hij bijzonder goed in het commercialiseren en verenigen van een aantal ontdekkingen. Één van zijn aanpassingen was de afgeronde schroefdraad aan de voet waarmee de lamp gemakkelijker los en vast gedraaid kon worden. De maat van de gloeilampvoet, bijvoorbeeld E27 (meest gebruikt in huishoudens), verwijst hier nog naar; de E verwijst naar Edison en 27 naar de diameter.

Het succes van gloeilampen hing nauw samen met de toenemende elektrificatie en het uitbreidende elektriciteitsnetwerk. Aanvankelijk werd elektriciteit vooral opgewekt in fabrieken voor eigen gebruik (aandrijving machines en elektrische verlichting), maar al snel werden speciale elektriciteitscentrales gebouwd om te voldoen aan de steeds groter wordende behoefte aan stroom. We mogen hierbij ook de tijdelijke populariteit van de booglampen niet vergeten. Op het einde van de 19de eeuw werden ook eerste halogeen- en natriumlampen uitgevonden.

Sindsdien vindt de innovatie in verlichting vooral plaats in het onderzoek naar en het verhogen van de energie-efficiëntie van de lampen.  In de jaren '30 werd de fluorescentielamp ontwikkeld. In de jaren '40 - '60 won de kwiklamp aan populariteit en werden de eerste xenonlampen ontwikkeld. In de jaren '80 kwamen de eerste spaarlampen op de markt. De ganse ontwikkeling van LED's (van 1907 tot nu) is een zeer mooi voorbeeld naar deze zoektocht naar een grote energie-efficiëntie. Ondertussen wordt het gebruik van gloeilampen en halogeenlampen langzaam uitgefaseert. Zo heeft de Europese Commissie beslist dat in 2012 alle halogeen- en gloeilampen minstens een energielabel C bezitten, lager mag niet meer op de markt komen. In 2016 worden de richtlijnen hieromtrent opgetrokken naar energielabel B.

Een overzicht van de verschillende vormen van verlichting doorheen de eeuwen is terug te vinden in de collecties van verschillende grote en kleine musea in Vlaanderen, waaronder een met de grootste collectie lampen ter wereld.

Er bestaat al heel wat literatuur over de gloeilampindustrie en de geschiedenis van de (openbare) verlichting in België.

Bibliografie

Wie weet iets?

Wie heeft iets?

Reactie toevoegen

In de kijker

Op vrijdag 16 november organiseert ETWIE in samenwerking met de Stichting Bedrijfsgeschiedenis en de Vereniging Bedrijf & Historie een studiedag over bedrijfserfgoed als cultureel erfgoed. Het programma staat online en inschrijven is vanaf nu mogelijk.

Nieuwsbrief