Vlechtwerk

Vlechten is een bindtechniek: strengen materiaal worden over en door met elkaar in verbinding gebracht, waarbij de eigenschappen en de vervorming van het materiaal ervoor zorgen dat het vlechtwerk de gewenste vorm behoudt en niet uit elkaar valt. Sterke bundels van draad, haar, riet, stro, touw of andere bestaande uit drie of meer strengen worden op die manier in elkaar gevlochten.

Vroeger werd vlechtwerk vooral gebruikt in de landbouw, visserij en industrie: vismand, eendennest, fuik, linnenmand, eierenmand, wasmand,… Beoefenaars waren onder andere de strovlechter, wannenmaker, mattenvlechter, mandenmaker, stoelvlechter, haagbinder,…. Deze beroepen werden in de 19e en begin 20e eeuw vooral gepraktiseerd tijdens winterwerkzaamheden op boerderijen en het platteland of als kleine huisnijverheid en bijverdienste. Vandaag de dag zijn producten van vlechtwerk vooral van decoratieve aard en komen ze voornamelijk uit de lageloonlanden.

Een mandenvlechter (korver) is een ambachtsman of -vrouw die manden vlecht met natuurlijke materialen, meestal wilgentenen zoals vroeger, maar ook rotan, stro of rietstengels. Het is zeer arbeidsintensief zoals alle handwerk. Om het materiaal te kunnen verwerken, moet het eerst geweekt worden zodat de strengen buigzaam worden.

 

Bron foto: Geheugen van Nederland

Bibliografie

Wie heeft iets?

Wie kan iets?

Reactie toevoegen

In de kijker

Op vrijdag 16 november organiseert ETWIE in samenwerking met de Stichting Bedrijfsgeschiedenis en de Vereniging Bedrijf & Historie een studiedag over bedrijfserfgoed als cultureel erfgoed. Het programma staat online en inschrijven is vanaf nu mogelijk.

Nieuwsbrief