'Ode aan ons industrieel erfgoed'

Honderden fabrieken, stations, schoorstenen, mijnen en bruggen staan weg te kwijnen. Maar ook al verdwijnen ze langzaam, ze hebben daarom niet minder waarde. De vergeten ruïnes vertellen ons misschien wel meer dan de kapellen, belforten en molens die we wél beschermen. Bart Vanacker en Reinout Bossuyt brengen in ‘Verdwijnend België’ een ode aan 50 verdwenen of verdwijnende plaatsen, om ze nooit te vergeten. Wij spraken met Bart over het boek en de sites die hij fotografeerde.

Bart Vanacker werd in 1980 geboren in Kortrijk en groeide op in Heule. Hij studeerde journalistiek in Gent en bleef er na zijn studies ook plakken. Begin 2000, bij de opkomst van de digitale camera, schafte Bart zich zo’n camera aan en onderzocht de mogelijkheden ervan. Op een dag kwam de brand in de Carcokefabriek in Brussel in het nieuws. Het heeft er dagenlang gebrand. Het viaduct van Vilvoorde was door de rook in mist gehuld. “Die beelden vond ik eigenlijk wel fascinerend,” merkt Bart op, “en dat er zo’n enorme complexen gewoon leegstaan. Dus ben ik daar eens gepasseerd in de zomervakantie van 2004. Je kon er gewoon binnenstappen. Ik heb er foto’s genomen en ben er later nog verschillende keren teruggegaan. Het was het begin van veel meer. In Gent heb ik vervolgens Alsberge-Van Oost bezocht, daarna het Wintercircus...” Al doende werd het balletje aan het rollen gebracht, met als resultaat www.hullabaloo.be en nu ook ‘Verdwijnend België’.

Een heel aantal van de sites die in je boek aan bod komen, behoren tot de allereerste plekken die je ooit verkende. Merk je een verschil in de foto’s van toen en de foto’s die je nu maakt?

Jazeker, de eerste foto’s werden nog met een gewone compactcamera gemaakt, zonder speciale lenzen. Naar sommige sites ben ik dan ook in het voorbije jaar teruggekeerd om nieuwe foto’s te nemen. De eerste keer kan het weer wel eens tegenzitten, of je moet nog uitzoeken wat je precies in beeld wil brengen. Van sommige sites heb ik wel 1000 foto’s. Een keer met de zon, een keer in de schaduw, eens vanuit een andere hoek, foto’s met beweging…

Wanneer heb je besloten om je foto’s van die sites ook publiek te maken?

Best snel, eigenlijk. Ik had al een blog, die uiteindelijk evolueerde naar een plaats waar ik alle foto’s deelde van de plekken die ik bezocht. Het waren nog geen volwaardige artikels, het was gewoon een oplijsting van alle foto’s; goede en slechte. Intussen is www.hullabaloo.be veel professioneler. Daar hebben Reinout en ik samen voor gezorgd. Sinds 2014 schrijven we artikels bij een vijftal minutieus geselecteerde foto’s, zodat het meer een magazine wordt dan een verzameling van alle beelden. De ruwe beelden bewaar ik op verschillende harde schijven op verschillende locaties.

Hullabaloo doet het enorm goed. Waar kwam het idee vandaan om dit online verhaal ook in boekvorm te gieten?

Het idee ontstond al begin 2016. Ik wilde graag een boek maken met mijn foto’s. Zet je alle foto’s na elkaar, dan krijg je een urbex (urban exploring, nvdr) boek. Dat vind ik zelf erg tof om te lezen, maar dan ontbreekt het verhaal bij de foto’s en de plaatsen. Uiteindelijk onderzocht ik welke van de gefotografeerde sites intussen sterk bedreigd of verdwenen waren en bundelde de beelden en verhalen samen in Verdwijnend België. We hebben voor dit boek meer met mensen gepraat en er ook quotes in verwerkt. Op de website vind je die verhalen niet. Door de infografieken en kaarten die Reinout ontwierp, krijgen de sites ook een tweede leven en ontdek je hoe het ooit was.

Ben je al lang geboeid door de verhalen achter de plekken?

In 2015 volgde ik bij Adriaan Linters een inleidende cursus tot de Industriële Archeologie. Dat was de eerste keer dat ik de link legde tussen wat ik doe en industriële archeologie. Ik was gewoon bezig met mijn foto’s, maar stond er niet bij stil dat ik hier ook wel meer mee kon doen.

Ben je daarna anders gaan kijken naar de sites?

Ja, toch wel. Ik ging ook meer linken leggen met andere sites. “Aja, hier in deze fabriek staat nog een stoommachine die gemaakt werd door…” of “er liggen treinsporen die nog bij Cockerill gemaakt werden. En het jaartal wanneer die gegoten werden, staat er nog in gestempeld!” Je kijkt ook meer naar merktekens of stempels. Al zijn de plaatjes op de machines, zeker op die écht verlaten sites, wel meestal al weggenomen.

Hoe heb je de verschillende plekken gevonden?

Carcoke vond ik dankzij het nieuws, maar ik vond ook sites door websites met tips te bezoeken. Google Earth is ook geknipt om verlaten sites op te sporen. Of de catalogi van Industria, van Patrick Viaene, van de Borinage... Eigenlijk zijn er heel veel plaatsen die al in dergelijke publicaties aan bod komen, maar die slechts weinig mensen kennen omdat dit publicaties zijn van de jaren 1980. Maar wat wij het meest gebruiken is dus Google Earth, want je vindt er snel dingen mee terug. Je zoekt bijvoorbeeld een kanaal op en verkent de zones rondom of langs dit kanaal. Zo vind je bijna altijd iets.

Welke van de 50 plaatsen die in het boek staan, is jou het meest bijgebleven?

Er zijn er verschillende, maar we verkenden bijvoorbeeld spoorlijn 86 (Leuze-en-Hainaut naar Basècles-Carrières). Deze spoorlijn werd opgebroken en op de bedding werd een fietspad aangelegd. We ontdekten die via vzw Trage Wegen, een vereniging die ervoor pleit om oude buurtpaden nieuw leven in te blazen. Langs spoorlijn 86 zie je de oude sporen, hier en daar nog signalisatieborden, maar ook overal lang gras. Alles is overwoekerd. En plots bots je dan al wandelend op een nutteloze werf van een viaduct dat gebouwd werd boven de ondertussen verlaten spoorweg; een viaduct dat nooit gebruikt werd omdat het project nooit afgewerkt raakte…

Hoe denk jij over het langzaam verdwijnen van deze plekken?

Wel, neem nu het station dat Leopold II heeft laten bouwen in de Ardennen... Dat is voor het laatste gebruikt in 1919. Bijna 100 jaar geleden. Waarom wordt dat niet als monument gebruikt of opgeknapt? Het is een heel mooi gebouw, maar toch staat het te verkommeren. En wat het langzaam verdwijnen betreft: veel van die plaatsen zijn zodanig groot en vervuild dat niemand die verantwoordelijkheid op zich wil nemen. Maar na 10, 15, 20 jaar leegstand gaat de buurt klagen over ‘stadskanker’. Zo heet dat dan. Dan gebeurt er meestal wel iets mee, maar het is jammer dat het zo lang moet duren voor er actie ondernomen wordt. De actie die dan ondernomen wordt, is bovendien heel vaak gewoon het wegruimen van de hele site. In Berlijn hebben we ooit een voormalig sanatorium bezocht. Een vervallen gebouw midden in de bossen. Daar hebben ze een boomkruinpad gemaakt dat door het dak van het sanatorium gaat. Je loopt langs het gebouw en dan leidt het pad onder het dak. De plek trekt nu heel wat bezoekers. Er zijn dus best wel creatieve invullingen te vinden, maar je kan dit natuurlijk niet voor twintig gebouwen doen.

Dus je zoekt dit soort plekken ook op over de grenzen?

Ik denk dat we ongeveer 2/3 van de plekken in België opzoeken en 1/3 in het buitenland. Als we ergens op reis gaan kijken we meestal wel wat er in de buurt ligt. Alleen al in Berlijn is er enorm veel te zien. Het is eigenlijk hetzelfde als iemand die naar Rome gaat en daar alle kerken wil zien. De verlaten sites zijn ook bezienswaardigheden voor mij, het zijn plekken met geschiedenis.

Intussen is de Kolenwasserij van Beringen voorlopig van de sloop gered. Welk gevoel roept dat bij je op of heb je daar bepaalde bedenkingen bij?

Als je een gebouw eerst 30 jaar laat vervallen, zet je het eigenlijk een beetje met de rug tegen de muur. Dan blijven er natuurlijk niet veel opties meer over om er iets mee te doen... Voor de Vooruit in Gent of het Centraal Station van Antwerpen waren er ook ooit sloopplannen. Ik hoop dat we binnen 20 jaar op dezelfde manier terugkijken naar de Kolenwasserij. “Toch maar goed dat we die bewaard en opgeknapt hebben”.

Is er een plek die je hebt gefotografeerd waar je een geschikte herbestemming voor ziet/zag?

De cokesfabriek van Zeebrugge. Als je kijkt naar wat er met de Zollverein in het Ruhrgebied gebeurd is, dan word dat hier toch compleet anders aangepakt. Akkoord, ze hebben daar ook heel wat gesloopt, maar er is één cokesfabriek bewaard en toeristisch herbestemd, met een schaatspiste erlangs, een reuzenrad erdoor… Er zijn wel wat mogelijkheden. Maar ik denk dat er in Zeebrugge nooit goesting was om iets met de cokesfabriek te doen. Terwijl je vlakbij Brugge bent, waar al heel veel toeristen naartoe komen. Die hadden op 10 km afstand ook een industriële site kunnen bezoeken.

Staan er nog bepaalde sites op je verlanglijstje voor de komende jaren?

Ja, het kanaal van Bernistap bijvoorbeeld. Dat is eigenlijk een van de eerste nutteloze werken in ons land. Of zelfs van voor België ontstond. Het is een kanaal dat aangelegd werd, maar nooit afgewerkt of gebruikt. Ook de hoogoven van Ougrée zou ik wel eens van dichtbij willen zien.

Wat zijn de eerste reacties geweest op je boek?

De reacties zijn erg positief. Op de boekenbeurs bijvoorbeeld vragen mensen of je plaats x of y misschien kent. Of ze bladeren door het boek en herkennen plaatsen waar ze ooit geweest zijn. Over de cokesfabriek in Zeebrugge hoorden we het verhaal van iemand wiens vader daar nog binnen is geweest om communiefoto’s te nemen. “Ik droeg dan mijn wit kleedje en hij sleepte me mee naar binnen door die vuile fabriek.” Onvoorstelbaar. Dergelijke verhalen horen we nu heel vaak. Via mail ontvangen we ook geregeld reacties. Die verhalen proberen we te onthouden en ook nieuwe tips over verlaten plekken houden we bij.

Kreeg je ooit reacties van de eigenaars van een site die je gefotografeerd hebt?

Ja, bij de textielfabriek in Eeklo die we gefotografeerd hebben. Daar werden we door de conciërge buiten geborsteld; een oudere dame die haar hele leven in die fabriek gewerkt had en elke dag haar ronde deed om krakers en fotografen buiten te houden. Dat was in 2006 of 2007, net voor de sloop van het gebouw. Het was een spectaculaire site, want alle machines stonden er nog. Vorig jaar kreeg ik een mail van haar kleinzoon. Hij liet weten dat hij die foto’s wel eens wilde zien. Dus ben ik naar daar gereden. Hij vond het een heerlijk verhaal. Hij groeide als kind op in het huis naast de fabriek en kwam er vroeger vrijwel dagelijks, dus hij herkende veel en wist ook wat er op de foto’s te zien was.

Je toont met het boek een aantal verborgen parels in Vlaanderen. Blijven het zo wel verborgen parels?

Dat is een medaille met twee kanten. De plekken die aan bod komen, zijn bij experten en bij mensen die er mee bezig zijn zeker gekend; vaak ook bij heel wat buurtbewoners. Wij bundelen de plaatsen gewoon in één boek. Misschien krijgen sommige plekken nog een toeristische invulling, maar dat hoeft niet negatief te zijn. De bronsgieterij van de ‘Compagnie des Bronzes de Bruxelles’, waar nu het museum La Fonderie zit, is bijvoorbeeld geen verlaten plaats meer. Maar de plek heeft wel nog enorm veel charme door hoe die nu getoond wordt. Een plek hoeft zijn charme dus niet te verliezen omdat die opengesteld wordt voor het publiek. Ik denk dat sommige plekken, door hun afgelegen locatie, altijd een zekere charme zullen behouden. Zo zal je bij de scheepslader Le Truc in Lessine, ook als deze plek wat bekender wordt, niet plots op busladingen toeristen botsen.

Wat wil je met het boek bereiken?

We hopen dat het iedereen kan prikkelen. We mikken niet enkel op liefhebbers van geschiedenis, erfgoed of fotografie in het bijzonder. Het is de bedoeling dat iedereen aangesproken wordt door de plaatsen en inziet dat er - ongeacht waar je woont - binnen een cirkel van 50 km altijd wel een verborgen parel verstopt zit om te ontdekken: een verlaten plek met een heel eigen charme en vaak een bijzonder verhaal.

Geïnteresseerd in deze visuele en verhalende ontdekkingsreis door een verdwijnend stukje België? Of ben je benieuwd of een site in je buurt aan bod komt in het boek? Alle info kan je vinden op www.verdwijnendbelgie.be.

20/12/2018 - 08:00

Bibliografie

Reactie toevoegen

Nieuwsbrief