Van speelkaart tot mechanische kant

Recent verscheen een nieuw nummer van het tijdschrift ‘Erfgoed van Industrie en Techniek’ (jaargang 21, nr. 4). Het nummer bevat onder meer interessante artikels over het Nationaal Museum van de Speelkaart in Turnhout en het ‘Cité Internationale de la Dentelle et de la Mode’ in Calais (Frankrijk).

Filip Cremers, hoofd van het Nationaal Museum van de Speelkaart, licht in zijn bijdrage de geschiedenis van zijn museum toe. De idee om een museum te wijden aan de speelkaartenfabricage in Turnhout ontstond halfweg de jaren 1960. De vzw ‘Turnhout Wereldecentrum van de Speelkaart’ kreeg de steun van het stadsbestuur, en in 1969 opende het nieuwe museum zijn deuren in een 16de-eeuwse patriciërswoning. Het museum engageerde zich om alle relicten van de Turnhoutse speelkaartenindustrie te documenteren en zo veel mogelijk te bewaren. Daarnaast wilde het museum een ‘levende’ en actieve instelling zijn, gericht op een breed publiek. Het museum, dat in 1976 werd overgenomen door de stad, bouwde in de loop der jaren een imposante collectie uit, met aandacht voor zowel de machines als de producten. De belabberde huisvesting van het museum fnuikte echter een aantal ambities. Na een mislukte poging om onderdak te vinden in de 19de-eeuwse gebouwen van de firma Brepols, vond het museum uiteindelijk een nieuw onderkomen in een leegstaande fabrieksvleugel aan de Druivenstraat. Hoewel het museum zich focust op de speelkaart, is ook het verhaal van de grafische industrie overvloedig aanwezig. De fraaie collectie drukpersen en afwerkingsmachines maakt het tot een echt technisch en industrieel museum. Demonstraties van oude technieken op historische machines behoren tot het vaste aanbod. Hoewel veel problemen uit het verleden zijn opgelost, staat het Nationaal Museum van de Speelkaart anno 2013 toch voor een aantal bijzondere uitdagingen. Hoe kan het museum overleven in tijden van schaarse middelen? Hoe kan het de snelle evoluties in de grafische industrie bijbenen en hoe kunnen nieuwe vormen van (elektronische) speelkaarten gedocumenteerd en bewaard worden voor de toekomst? En hoe houdt een museum in deze tijden zijn bezoekcijfers op peil zonder in te boeten aan museale kwaliteit?

Arnaud Hamy neemt de lezer vervolgens mee naar Calais. In de loop van de 19de eeuw ontwikkelde deze Franse stad zich tot een belangrijk centrum van de mechanische kantnijverheid. In het begin van de jaren 1920 waren in Calais zowat 31.500 werknemers actief in 110 bedrijven. De kantnijverheid kende in de laatste decennia van de 20ste eeuw een zware terugval, maar intussen was men zich bewust geworden van de waarde van het erfgoed van deze bedrijfstak. De stad Calais kocht de ‘Usine Boulart’ aan om er zijn kanterfgoed en het industrieel verleden van de stad te presenteren. Zowel bij de renovatie van het gebouw als bij de scenografie werd ernaar gestreefd om het heden en het verleden met elkaar te combineren. In de zomer van 2009 opende het ‘Cité Internationale de la Dentelle et de la Mode’ zijn deuren voor het publiek. Het museum bezit onder meer een uitzonderlijke collectie Leavers-getouwen die, gekoppeld aan de Jacquard-mechaniek, de basis van de mechanische kantnijverheid vormden. Om de getouwen in werking te houden kan het museum een beroep doen op medewerkers met ervaring in de kantnijverheid en op de medewerking van drie gespecialiseerde opleidingscentra. Naast de verschillende machines kan men in het museum ook de afgewerkte producten bekijken. In een tweede gedeelte van het museumparcours staat de kant zelf centraal. De modecollectie van het museum is vooral voor de 19de eeuw bijzonder rijk, maar ook de evoluties in de 20ste eeuw en zelfs hedendaagse kantrealisaties komen aan bod. Het museum, dat ook een rijke collectie staalboeken en monsters bezit, is de voorbije jaren uitgegroeid tot een belangrijke toeristische trekpleister voor Calais, met zowat 100.000 bezoekers per jaar.

Dit nummer van ‘Erfgoed van Industrie en Techniek’ heeft verder ook aandacht voor stoommachines in Catalonië, de glasnijverheid in Mol en het casino van Gompel, en de herbestemming van de (intussen grotendeels gesloopte) stoomzagerij Beyens in Laakdal.

'Erfgoed van Industrie en Techniek. Vlaams-Nederlands tijdschrift voor industriecultuur' is een uitgave van de Stichting Erfgoed. Voor Vlaanderen is het abonnement verbonden aan het lidmaatschap van de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie.

14/01/2013 - 23:30

Bibliografie

VAN GESTEL B, Bie PLEVOETS.  2012.  Het casino van Gompel. Monument van de glasnijverheid in Mol. Erfgoed van Industrie en Techniek. 21(4):105-112.
Filip CREMERS.  2012.  Nationaal Museum van de Speelkaart. Een korte geschiedenis. Erfgoed van Industrie en Techniek. 21(4):113-117.

Nieuwsbrief